Great Escape 2019

Vorig jaar liep ik de Great Escape voor het eerst. Had er veel over gehoord, onder andere dat-ie zwaarder zou zijn dan de Legends Trail. Dat kon ik me niet voorstellen. Okee, meer hoogtemeters en technischer terrein, maar een verschil van 90 km is nogal wat. Bovendien valt de Legends Trail altijd in het slechtste deel van het jaar, begin maart. Dan zijn de Ardennen spookachtig in plaats van sprookjesachtig; alles is nat, grauw en onvriendelijk. In september is het juist prachtig in dit gebied. Vaak nog flink wat zon die door de invallende herfst voor een kleurig spektakel zorgt. Behalve vorig jaar. Zaterdag bleeft het droog tot een uur of vier, daarna begon de regen. Die hield niet op voor de finish. Sterker nog, de Great Escape eindigde voortijdig wegens een naderende storm. Linda en ik behoorden tot de laatste finishers.

Dit jaar wordt het helemaal anders: mooi weer in plaats van regen, de volledige tocht in gezelschap van Frank Gielen en Christine Peij. En ik weet ongeveer waar ik aan begin. Hoewel… Ik probeer me uit alle macht te herinneren hoe de eerste 80 km er ook alweer uitzien, maar behalve wat flarden, schiet me niks te binnen. De nacht is vooral een aaneenschakeling van lange klimmen, grotendeels slaapwandelend afgelegd. Pas na de laatste post bij Herou kan ik me weer wat voor de geest halen. De rotsige afdaling met kettingen, het pad langs de Ourthe en natuurlijk het laatste lusje met de muur van Maboge. Misschien ook wel goed dat een groot deel van het parcours als nieuw aanvoelt, zou anders maar saai zijn om het voor de tweede keer te lopen.

Frank leerde ik kennen tijdens de Transylvania. Dat had zijn eerste 100 km moeten zijn, maar door slecht weer werd de route ingekort tot een kleine 80 km. We hielden contact via chat en toen zijn loopmaatje terugkrabbelde van deelname aan de Great Escape, vroeg Frank of hij een stukje met mij op kon lopen. Tuurlijk, altijd gezelliger dan solo. Christine ken ik van Another One Bites The Dust. Ik weet nog goed dat ik haar tijdens de eerste rondjes zo makkelijk en lichtvoetig rond zag dartelen dat ik dacht: die gaat een heel eind komen. Het tiende rondje werd echter haar Waterloo: ze haalde het net niet binnen het uur. Nadat ik uitstapte, leerden we elkaar beter kennen tijdens het urenlang wachten op en binnenhalen van de andere deelnemers. Ook zij liet via de chat weten dat ze de Great Escape ging lopen. Nou, toen was een groepje snel gevormd.

Vrijdagmiddag haalt Jaco me thuis op. We rijden via het oosten naar België in de hoop het ergste van de vrijdagmiddagfiles te vermijden. Helaas blijft Luik een zooitje als het op verkeer aankomt. Dan is er ook nog een weg naar Maboge afgesloten waardoor we uiteindelijk pas om een uur of zes onze startnummers op kunnen halen. Frank is er al en we spreken af elkaar de volgende ochtend bij de start op te zoeken. Snel terug naar La Roche-en-Ardenne om ons te installeren in een chalet op de lokale camping, een hapje te eten en de laatste hand te leggen aan onze dropbags en rugzakken voor morgen. Jaco ligt al om acht uur op bed, ik heb iets langer nodig. Kwart voor 1 gaat de wekker. Douchen, koffie en weer terug naar Maboge, ruim op tijd voor de bus naar Ettelbruck.

Zaterdag 2:00 uur

Als ik de bus instap, kijk ik recht in het goedlachse gezicht van Mike Bruce. Hij zit in z’n uppie vooraan, het plekje naast hem is nog vrij. Mag ik? Tuurlijk, antwoordt hij. Lang niet gezien, trouwens. Zeker twee weken geleden, tijdens de PSR. Ik grap wel eens dat ik met sommige ultralopers meer tijd doorbreng dan met Linda. Mike is daarvoor zeker een gegadigde. Onderweg naar Ettelbruck passeren de gebruikelijke onderwerpen de revue: welke kant op bij de LEO180, het terrein van de Great Escape, plannen voor volgend jaar, enzovoorts. Ik was van plan een tukkie te doen tijdens de busreis, maar het komt er niet van. Ach, afgelopen nacht genoeg geslapen met vier uur. Bovendien is het maar de vraag wanneer ik Mike weer eens spreek. De beste man loopt een stuk harder dan ik.

Zaterdag 4:00 uur

Na de gebruikelijke briefing in Nederlands, Engels en Frans, zet de meute zich in beweging. Christine en ik lopen vrijwel achteraan. Ik heb kramp in mijn nek van het zoeken naar Frank, maar ik gok dat we hem in de loop van de dag wel tegenkomen. Zo niet, ook niet erg. Dat betekent namelijk dat hij goed doorloopt. Op een single track zitten we even vast achter minder snelle lopers, maar zodra we naast elkaar kunnen lopen, attendeert Christine mij erop dat ze astma heeft. Ze wijst naar een rits in haar rugzak: daar zit de inhaler, voor noodgevallen. Okee, goed om te weten. Na een minuut of twintig, komen we aan bij een spoorwegovergang. Net voordat we over willen steken, gaan de slagbomen omlaag. Een trein, nu, om half vijf ‘s ochtends?

De eerste uren vliegen voorbij. We liggen niet langer achterin het deelnemersveld en lopen een lekker tempo. Ik verbaas me over het gemak waarmee niet alleen ik valsplat omhoog blijf rennen, maar ook Christine. Ik heb de PSR nog in mijn benen, in positief opzicht, dat verklaart waarom ik zo makkelijk doorloop. Christine is voor zover ik weet geen bergloper, toch stoempt ze door alsof het niks is. Na de eerste serieuze klim, volgt een steile afdaling over een smal bospaadje. Ik sta met mijn bek vol tanden als Christine met het grootste gemak bij me wegloopt. Ze had wel aangegeven dat ze beter daalt dan stijgt, maar dit is belachelijk. Om haar niet uit het oog te verliezen, zet ik aan. Ik laat alle voorzichtigheid varen, dicht het gat en blijf een meter of vier achter haar lopen. Niet forceren, soepel bewegen en vooral genieten.

Zaterdag 7:01 uur

Het wordt steeds lichter. Nog even en onze lampjes kunnen af. Hoe comfortabel ze ook zitten, na uren met zo’n band om je hoofd, is het een verademing eindelijk zonder te kunnen lopen. Toch wel een voordeel van de Great Escape. Je begint achterlijk vroeg, maar de meesten maken daardoor twee zonsopgangen mee. Het eerste licht heeft iets magisch. Niet dat de nacht nou zo verschrikkelijk is, maar het menselijk lichaam heeft behoefte aan licht en warmte.

Zaterdag 7:47 uur

Na een kleine vier uur komen we aan bij checkpoint tien. Huh, tien? Ja. Om verwarring te voorkomen met de 50 mijl, loopt de nummering van de checkpoints af in plaats van op. De 100 mijl heeft tien checkpoints, de 50 mijl heeft er zes. Checkpoint tien bestaat uit een tent om lopers uit de wind te houden en een tafel met broodjes kaas, jam, fruit, enzovoorts. Ik heb niet echt honger, maar neem voor de zekerheid een broodje jam en een cola. Christine geeft al vrij snel aan dat ze weer door wil. De pauzes tot een minimum beperken zolang het kan. Zit wat in, we gaan vandaag nog genoeg vertragen.

Zaterdag 9:36 uur

Als we over een landweggetje lopen met links een weiland, worden we begroet door twee ezeltjes. Ze komen op het hek af, op zoek naar aandacht. Helaas kunnen we er niet goed bij, dus we lopen door. Iets verderop staat een prachtig paard dat ook al zo geïnteresseerd is in ons. Ik zie een opening tussen de bomen waar alleen een lint ons scheidt van het weiland. Als ik een dribbel inzet, volgt het paard. Aangekomen bij het lint, laat de goedzak zich flink knuffelen. Even later komen ook de ezeltjes verhaal halen.

Zaterdag 9:59 uur

We lopen in één van de zwaarste en tegelijkertijd ook mooiste stukken van de Great Escape. Ergens in een vallei komen we na een stevige klim aan bij een heuse graat. Een smal pad met aan weerszijden diepe afgronden. Je waant je heel even in de bergen. Christine vindt het zwaar, maar o zo mooi. Ik zie dat ze hiervan geniet, ook al het kost het haar moeite om door te blijven lopen.

Na de graat volgt een stuk bos. Als we de vallei uitlopen en terugkijken, is er niks meer van te zien van de rotsen. Bos zover het oog reikt. Maar verstopt tussen de bomen ligt dus een pad dat menig lopershart sneller heeft doen kloppen. Van genot of van angst, dat laat ik even in het midden.

Zaterdag 10:19 uur

Checkpoint negen ligt in het dorpje Hoscheid. Wat ik me van vorig jaar kan herinneren, was dit maar een krappe bedoening. Vandaag niet. We hebben een complete gymzaal tot onze beschikking. Wel zo lekker als je met een dropbag in de weer moet. Mijn outfit is nog droog, dus die laat ik voor wat het is. Eten aanvullen is ook niet echt nodig, heb de afgelopen zes uur alleen bij het vorige checkpoint gegeten. Tja, toch wat overkill deze dropbag. Maar goed, dat weet je vantevoren nooit. Liever verlegen met dan verlegen om.

Christine krijgt tips van haar coach. Blijven eten, niet te vaak en te lang pauzeren, hou marge op de tijdslimieten. Wat dat laatste betreft, zitten we wel goed. Ruim twee uur voordat we hier weg moeten. Ik heb eerlijk gezegd geen idee hoe het met Christine gaat. Ze loopt goed door, is altijd in voor een praatje, maar heeft geen moeite met langdurige, comfortabele stiltes. Ze ziet er niet uit alsof ze het zwaar heeft, maar ik vermoed dat na zes uur lopen, er wel het een en ander piept en kraakt. Totdat ik haar zichzelf in een yoga-/stretchhouding zie wurmen waar ik op mijn lenigste dagen niet aan durf te denken. Okee, fysiek is ze dus prima in orde.

Met mijn benen is het minder goed gesteld. Nee, geen pijn of stramheid. Ze zijn simpelweg nog niet wakker. De afgelopen uren was voor mij echt harken. Elke stap bewust nemen, niks gaat vanzelf. Ook daar vind je een modus in, maar ik verlang naar het gevoel dat alles wat meer vanzelf gaat. Ach, we hebben nog een stukje voor de boeg, komt vast goed.

Zaterdag 12:02 uur

Toch te vroeg gejuicht. Het valt me op dat Christine niet meer daalt zoals eerder vandaag. Ze loopt wat voorzichtiger, aarzelend, net alsof ze pijn heeft. Als ik er naar vraag, geeft ze aan dat haar rechterbovenbeen goed zeer doet. Okee, dan doen we wat rustiger aan. Maar als omlaag dribbelen overgaat in wandelen, maak ik me zorgen. We zijn op de klimmen niet erg snel. Dat ligt deels aan mij, deels aan Christine’s astma. De toenemende temperatuur en het verbrande gebied waarin we lopen, helpen daar niet bij. Tijd die we verliezen bij het klimmen en niet goed kunnen maken in de afdalingen, brengt de tijdslimieten wel erg dichtbij. Maar ja, met pijn lopen is op de lange duur ook niet echt een optie. Dat wil zeggen, pijn waardoor je niet of nauwelijks kunt lopen.

Ik heb zelf trouwens ook flink last van de droge en stoffige lucht. Mijn mond droogt uit, keel voelt als een rasp. Bovenop de verkoudheid van vorige week, zorgt dat voor een irritante kriebelhoest. Hoeveel erger is het dan wel niet als je astma hebt? Toch hoor ik Christine er niet over klagen. Af en toe gebruikt ze haar inhaler, maar geen onvertogen woord over de omstandigheden. Sterk.

Zaterdag 13:14 uur

Ik ben een beetje klaar met mijn uitgedroogde bakkes. Eten en drinken gaat niet meer. Tijd voor een noodgreep. In de verte zie ik het dorpje Kautenbach liggen. Tijdens het bestuderen van de route, was me opgevallen dat hier een hotel is met een terras. Ik zet flink aan, loop rechtdoor als de route rechtsaf slaat, bestel een biertje bij het hotel en neem even een momentje voor mezelf. Uiteraard niet voordat ik Christine een berichtje stuur waar ik ben en dat ik zo weer aanhaak.

Het biertje smaakt goed in deze hitte. Ik kan ook meteen weer normaal eten en drinken. Benen zijn opgefrist door de korte pauze dus ik zet flink aan om Christine in te halen. Ze loopt inmiddels in een groepje met Berry Snoeren en Monica Dekker. Haar telefoon staat uit, dus ze had mijn berichtje niet gekregen en dacht dat ik met een of andere Duitser door was gelopen. Ik laat haar weten dat ik niet zomaar bij haar wegloop, zonder wat te zeggen.

We lopen een stukje samen met Ferry. Wanneer hij verkoeling zoekt bij een beekje, maken wij gebruik van een camping om water aan te vullen. Christine zat al even zonder, maar dacht het wel vol te kunnen houden tot aan het volgende checkpoint. Die fout heb ik in het verleden genoeg gemaakt om haar van gedachten te doen veranderen. Als je nu geen water hebt maar wel de kans om bij te vullen: doen. Zeker als je al een tijd zonder rondloopt.

Zaterdag 14:31 uur

Een uurtje later komen we aan bij checkpoint acht. Christine zit er een beetje doorheen. Ze gaat even relaxed onderuit op een deken. Ik eet en drink wat, maar door gebrekkige bevoorrading is zowel water als cola op rantsoen. Maar goed dat ik net een biertje heb gedronken. Even een angstig moment als er een deelnemer het checkpoint in komt zwalken, duidelijk oververhit en weinig controle over ledematen. Christine had deze man een kwartier geleden geholpen met een tablet elektrolyten, maar het gaat nog steeds niet goed met hem. De vrijwilligers proberen het hem zo comfortabel mogelijk te maken, helpen hem neer op een deken, bankje om de benen omhoog te leggen en voorzien hem van eten en drinken. Wij gaan weer op pad, nog een flink stuk te gaan naar Clervaux waar we eindelijk wat substantiëlers kunnen eten.

Zaterdag 16:01 uur

Als Christine en ik het dorpje Wilwerwiltz inlopen en we zien rechts een terrasje, kijken we elkaar hoopvol aan. Zullen we? Ja, natuurlijk. Even zitten, in de schaduw met een alcoholvrij biertje. Hè hè, da’s genieten. Ik vind het vooral lekker, maar ik zie Christine er zienderogen van opknappen. Voor mijn gevoel is het echt nog onvoldoende bekend dat bier onderweg een serieus redmiddel is tegen dorst, uitdroging en algehele malaise. Geen idee of het helpt als je thuis, zoals ik, nauwelijks drinkt zodat het onderweg meer effect heeft. Of dat je er dan wellicht twee moet pakken. Feit blijft dat maar weinig soorten drank zo’n positief effect hebben als een biertje.

Opgefrist vervolgen we onze weg. Het duurt echter niet lang voordat de warmte en een stukje vermoeidheid Christine parten gaan spelen. Ze vertraagt, heeft moeite om zelfs vlak door te blijven dribbelen. Niet heel gek aangezien ze in de buurt komt van haar langste afstand en duur. Nog steeds geen onvertogen woord. Enerzijds wel fijn, houdt de stemming positief. Anderzijds biedt het me weinig aanknopingspunten om haar te helpen. Ik ben zelf terughoudend in het aansnijden van een moeilijke situatie, bang dat ik er de aandacht teveel op vestig. Ik besluit te wachten tot we in Clervaux zijn. Dan kunnen we in alle rust, onder het genot van wat eten en drinken, bespreken hoe we de nacht ingaan. Heb stiekem ook de hoop dat met het verdwijnen van de zon Christine wat meer lucht krijgt en makkelijker gaat lopen.

Zaterdag 18:51 uur

Ik was even vergeten wat voor takke-eind dit ook alweer was. Van de route af, dwars door Clervaux naar een of andere voetbalkantine achteraf. Voegt drie kilometer toe. Die moet je toch lopen, dat is het probleem niet. Maar als je snakt naar een verzorgingspost, is anderhalve kilometer heen best lang. Aangekomen bij het checkpoint, leg ik eerst mijn elektronica aan de opladers. Dan scoor ik wat te eten. Tenminste, ik doe een poging tot. Meer dan een bakje soep zit er niet in. Er zijn wel tosti’s, maar alleen met ham. De kaas is op. Dan is het wat mij betreft geen tosti, maar een broodje ham. Lekker handig voor vegetariërs en mensen die geen varkensvlees eten. Ik vul aan met een stuk suikerbrood en een chocomel uit mijn dropbag.

Christine heeft zich in een deken gewikkeld en ligt te slapen. Ik vermoed dat de laatste paar uur te zwaar zijn geweest voor haar. Meer klimmen dan dalen, vaak steil en lastig begaanbaar. Ze krijgt zelfs een kop soep niet weg. Dat is zorgelijk. Niet eten betekent niet lopen, simpel zat. Bij vlakkere trails kom je wel weg met vetverbranding, maar de Great Escape zit precies tussen relatief vlak en middelgebergte in, qua zwaarte. Ik merk het zelf ook, sterf van de honger, maar waar ik nog kan eten, is Christine zo misselijk dat ze het niet aandurft. Ze hoopt dat ze zich door een slaapje en het begin van de nacht beter gaat voelen.

Als ze weer wakker is, overleg ik met haar. Ik moet wat eten, dus ik ga alvast terug naar het dorp, op zoek naar een vette hap. Zij blijft nog even en loopt dan met Rene Duchateau verder. Het idee is dat ik ze later op de avond inhaal. Ze belooft niet alleen te vertrekken. Desnoods blijft ze wachten tot ik klaar ben met eten en haar bij het checkpoint ophaal.

Terwijl ik terugloop naar het dorp, krijg ik een bericht van Jaco. Waar ik ben? Hij stopt ermee en wacht op een auto terug naar Maboge vanaf het checkpoint in Troisvierges. Wat? Ik kan mijn ogen niet geloven. Waarom stop je, vraag ik hem. Hij is misselijk en oververhit. Ja, dat zit er op een dag als vandaag wel in. Jaco doet het beter onder koelere omstandigheden, maar ik wist niet dat de warmte zo’n impact op hem had. Hij gaat terug naar de camping, maar drukt me op het hart om hem te bellen als er wat is. Ook al is het middenin de nacht, hij komt me halen.

Zaterdag 20:45 uur

Het duurt even voordat mijn bestelling klaar is, maar dan heb ik ook een serieus bord eten voor mijn neus staan. Een flinke berg friet, stuk of tien kipnuggets en een halve liter alcoholvrij bier. Wat een feestmaal. Tijdens het eten check ik voor de zoveelste keer vandaag de tracker. Frank loopt nog steeds in gezelschap en Christine is me net voorbijgelopen, samen met Rene. Ik doe deze check grofweg elk uur om er zeker van te zijn dat we Frank niet onverhoopt voorbij lopen. Maar zo te zien gaat het met hem beter dan met ons: hij is al halverwege checkpoints zes en vijf, ruim 24 km verder dan wij.

Als mijn eten op is, reken ik af en bereid ik me voor op een inhaalrace. Nadat ik het dorp uitloop en het klimmetje terug naar de route heb geslecht, zet ik een tempo in waarvan ik me verbaas dat ik het nog kan. Zou het? Zijn ze eindelijk wakker geworden? Ik ren alsof ik net start: onbevangen, soepel en zonder enige vorm van pijn of stramheid. Heerlijk!

Zaterdag 21:57 uur

Terwijl ik bel met Linda, zie ik een loper op een bankje liggen. Het is inmiddels alweer donker, dus ik kan niet goed zien wie het is. Ik heb echter wel een vermoeden. Als ik Christine’s naam roep, antwoordt ze bevestigend. Het gaat slecht met haar. Linda en ik proberen haar wat moed in te spreken, maar het heeft weinig effect. Ik hang op en probeer een idee te krijgen wat eraan scheelt. Ze is misselijk, heeft zojuist overgegeven, kan niet eten of drinken en zit er helemaal doorheen. Ik help haar overeind en geef haar wat Tikkels. Tijdens de PSR deden deze dropjes wonderen bij Linda, hopelijk hebben ze bij Christine hetzelfde effect.

Van hoger op de heuvel komt een hoofdlampje ons tegemoet. Het is Rene, hij was een stuk doorgelopen omdat hij de route kwijt was. Waar moeten we heen, vraagt hij. Waar je net vandaan kwam, dat is de juiste kant op. Met z’n drieën sjokken we de heuvel op. Dan worden we plotseling opgeschrikt door een hevig gezoem en twee hoornaars die recht op onze lampen afvliegen. Christine maait in het wilde weg met haar stokken om de ellendige beesten te verjagen en prikt mij bijna een oog uit. Ik weet zelf een hoornaar uit de lucht te slaan met mijn buff en verpletter het insect onder mijn hak. Ja, ik weet dat ze beschermd zijn en alleen maar hun nest verdedigen. Ik heb echter ook de verhalen gehoord van Nieves en Jean-Pierre die meerdere keren gestoken zijn en hun deelname moesten staken. Daar pas ik voor.

Het incident met de hoornaars heeft Christine geen goed gedaan. Ik hoor de wanhoop in haar stem als ze zich hardop afvraagt wat ze moet doen: doorlopen of stoppen? Eerst de top over, dan kijken we verder. Maar het is me wel duidelijk dat ze aan het einde van haar krachten is. Niet heel gek. We zijn nu 18 uur onderweg, ruim 85 km. De laatste uren heeft ze nauwelijks gegeten en gedronken. In dit terrein is dat niet te doen. Terwijl we rustig naar beneden wandelen, overleggen we. Christine spoort me aan om zelf door te lopen. Zij kan verder met Rene en achter ons loopt een viertal deelnemers waarbij ze aan kan haken. Ze is vast van plan om tot checkpoint zes door te lopen.

Met gemengde gevoelens neem ik afscheid. Samen uit, samen thuis, was het plan. Ik kan me er nu nog niet toe brengen uit te stappen, voelt verkeerd. Aan de andere kant, ik laat Christine vallen als een baksteen. Voelt net zo slecht. Wat uiteindelijk de doorslag geeft, is een blik op de tracker: Frank loopt alleen. Zijn loopmaatjes liggen een flink stuk voor hem. Foutje op de site of is hij echt stilgevallen? Twee updates later hetzelfde beeld. Dat gaat niet goed. Ik druk Rene op het hart om bij Christine te blijven, sowieso tot het volgende checkpoint en zet het op een lopen.

Zaterdag 23:17 uur

Een uur later loop ik langs Troisvierges. Vorig jaar aten Dries Brouckaert en ik hier een patatje, toen waren er minder verzorgingsposten tussen Clervaux en Maboge. Nu is het een kort klimmetje naar checkpoint zes. Half uur geleden kwam ik een bus van de organisatie tegen. Ik liet ze weten dat niet ver achter mij een stel liep waarvan de dame het slecht had. Of ze Christine een lift aan konden bieden. Natuurlijk, geen probleem. Ik blijf niet te lang zitten hier op dit checkpoint. De temperatuur zakt snel nu de nacht invalt. Door mijn sprint om Christine en Rene in te halen heb ik een flink deel van het eten alweer verbrand.

Ik kan ook stoppen. Of terug gaan, Christine ophalen en alsnog uitstappen. De aandrang is best groot. Niet omdat ik me slecht voel. Integendeel, ik voel me beter dan op welk punt eerder vandaag dan ook. Fysiek, moet ik erbij zeggen. Mentaal word ik nog steeds verscheurd tussen doorlopen in m’n uppie en wachten op Christine om vervolgens de handdoek in de ring te gooien. Hoe is het eigenlijk met Frank? Zo te zien heeft hij een nieuw loopmaatje opgeduikeld, Claudia Hanisch. Gelukkig maar.

Zondag 1:07 uur

Ik schrik wakker van een ratelend geluid. Alsof iemand pal naast mij aan het klappertanden is. Bijna raak: ik ben het zelf. In slaap gevallen op een stalen bank, in een vallei waar de temperatuur flink lager is dan de omringende heuvels. Ik kom overeind, schud armen en benen uit, spring een paar keer op en neer. Met de grootst mogelijke tegenzin, stroomt er wat bloed door mijn ledematen. Nog steeds rillend en klappertandend, neem ik de omgeving in me op. Aan de overkant van de weg lonkt een ligstoel met een vederzacht uitziend kussen. Hallucinatie, kan niet anders. Toch effe checken. Wel gloeiende… De stoel geeft niet mee als ik er tegenaan schop; mijn grote teen wel. Au au au! Ik zou dolgraag weer gaan liggen, maar ben bang dat ik niet meer wakker word. De eerste tekenen van onderkoeling zijn er al: hartslag op hol, moeite met ademen, pijnlijke handen en voeten. Gelukkig ril ik nog, niet te ver heen dus.

Shit! Waar is Christine? Ze zal toch niet zonder mij verdergelopen zijn? Alle gedachten aan slapen verdwijnen uit mijn hoofd. Ik moet door, Christine inhalen. Juist nu, in het donker en de kou, mag ik haar niet alleen laten. Ze had het al zo zwaar, laat ik haar ook nog eens in de steek. Stommeling! Ik zet het op een lopen, maar krijg er niet meer dan een sukkeldrafje uit. Benen en bovenlijf compleet verstijfd. Goeie tip voor de volgende keer: kijk om je heen voor je op een stalen bank gaat liggen. Ik probeer uit alle macht harder te lopen, maar het levert niks op. Bizar, net alsof je droomt. Een monster vlak achter je, jij rennend voor je leven, maar je komt geen stap verder. Dan slaat de herinnering in als een bom: ik ben alleen.

Zondag 2:34 uur

Barry, is that you? Franse tongval uit een lang lijf met benen waar ik stikjaloers van word. Dat kan alleen Alexandre Oristyle zijn. Hoe wist je dat ik het was, vraag ik hem. Dat wist hij niet zeker, maar hij rook een sigaret en moest meteen aan mij denken. Na wat gerommel in zijn rugzak, vraagt Alexandre me om een vuurtje. Gast, je ligt derde op de 50 mijl, dan ga je toch niet naast mij wandelen? I don’t give a shit, antwoordt hij. Hij rookt liever onderweg een sigaret met mij dan dat hij top tien finisht. We ouwehoeren een beetje over het afgelopen jaar, luisteren naar elkaars toekomstplannen en stappen stevig door. Dan is het tijd voor hem om weer aan te zetten. Vier passen later is hij alweer 100 meter verder. Zucht… ik wil ook zulke benen!

Zondag 3:18 uur

Als ik checkpoint vijf binnenloop, staat daar een vrolijk Brabants gezicht me aan te grijnzen. Sander! Wat doe jij hier? Hij is vandaag vrijwilliger. Een aantal lopers uit Trailrunners Brabant doet mee op de 50 mijl. Sander zelf niet, hij kiest voor het echt zware werk: lopers ondersteunen, opnieuw motiveren en voor de tijdslimiet het checkpoint uitwerken. Ik heb nog tijd zat, dus voor mij een bord pasta, een cola en een kop koffie graag. Eten gaat niet van harte, maar door mechanisch te kauwen en door te slikken, krijg ik toch mijn maag wat gevuld. Het is een komen en gaan van lopers op de 50 mijl. Gelukkig zit ik uit de meeste drukte en vermaak ik me met het bestuderen van rood aangelopen hoofden. Kijk, dat zijn lopers, die hebben zich zojuist ingespannen.

Opeens hoor ik bekende stemmen en ja hoor, daar zijn ze: Maarten en Marek. Druipend van het zweet, ze zijn weer eens te hard gestart, maar in opperbeste stemming. Helemaal als ze en passant van Oven nog even kunnen treiteren. Maarten begint meteen met omgekeerde psychologie: geef toch op man, je gaat het echt niet redden zo. Marek pakt het subtieler aan: als je dit niet uitloopt, maak je geen schijn van kans tijdens de LEO. Schrijf mij maar uit, antwoord ik, ben wel klaar met nachten doorhalen. Niks daarvan, roept Sander, doorlopen met je donder. Marek biedt een opening: als je nu DNF’t, ben je op tijd fit voor de LEO. Het omgekeerde is ook waar: als ik deze finish, hoef ik de LEO niet te lopen. Daar trapt hij helaas niet in.

Sander dringt aan dat ik de post moet verlaten. Luttele minuten voor het verstrijken van de tijdslimiet, zet ik me weer in beweging. Terwijl ik de deur achter me dichttrek, hoor ik Maarten en Marek nog kibbelen. De een wil meteen door, de ander wil wat langer blijven. Net een getrouwd stel, die twee. Maar ze hebben wel wat aan elkaar; ik loop weer in m’n uppie.

Zondag 4:20 uur

Eeen half uur later hoor ik ze alweer, luid ouwehoerend over van alles en nog wat. Ik overweeg mijn lampje uit te doen, me te verbergen in de bosjes en ze de schrik van hun leven te bezorgen als ze langslopen. Maar ik heb er de puf niet voor en het terrein werkt niet mee: nergens een mooi verstopplekkie te vinden. Zogauw ze achterop komen, stap ik aan de kant om ze voorbij te laten. Buiten zijn ze een stuk gemoedelijker en aardiger voor hun medelopers: ze moedigen me aan en wensen me het beste toe. Nog even een hilarisch momentje als ze bergop gaan wandelen en ik op mijn dooie akkertje voorbij dribbel. Marek stoot Maarten aan: kijk van Oven gaan, moet niet gekker worden. Maar wanneer het terrein afvlakt, zetten de heren een tempo in dat voor mij te hoog ligt. Tot bij de finish, mannen.

Zondag 5:10 uur

Ik schrik wakker van een brul achter me. Een loper zag me zwalken over het pad, duidelijk slaapwandelend. Gelukkig herkende Nick Leeuwenhoek mij en voorkwam hij erger. Zou niet de eerste keer zijn dat ik wakker word in een greppel of het prikkeldraad. Uit voorzorg blijft hij even bij me in de buurt lopen. Ik leerde Nick kennen tijdens Limburg Loopt Lekker, daar liep hij de 50 km. Martin en ik probeerden hem nog aan te sporen om door te lopen naar de 100, maar Nick is niet gek. Met amper een marathon in de benen, was 50 km in het Limburgse landschap al een hele prestatie. Zo zie je maar, niet alle ultralopers zijn gestoord.

Tot in Houffalize kan ik redelijk aanklampen bij Nick, maar aan het begin van de lange klim uit het dorp naar checkpoint vier, gaat het licht uit. Tot twee keer toe word ik bruut uit een wandelend hazenslaapje gerukt door luid toeterende auto’s. Niet geheel onterecht want ik benut de volledige breedte van de Rue Saint-Roch met mijn geslaapwandel. Eindelijk arriveer ik bij het checkpoint bovenop de heuvel. Volgens mijn berekeningen heb ik nog een kwartier op de tijdslimiet. Dat wordt haasten.

Zondag 6:02 uur

De eerste persoon die ik binnen zie, is Willem Mücher, organisator van het Helipad en zelf geen onverdienstelijke ultraloper. Kort daarop weer de bekende stemmen van Maarten en Marek. Als ik mijn donsjas uit de dropbag trek, begint het feest. Hé Barry, hoeveel kostte dat jasje ook alweer? En wat weegt het eigenlijk? Ze hebben wel een punt, de anekdote blijft vermakelijk. Een Montbell Plasma 1000 is exclusief BTW 308 euro en weegt 135 gram. Behoorlijk prijzig, maar vanwege het geringe gewicht en kleine formaat, ideaal voor onderweg. Beetje jammer dat ik bij het afhalen nog eens 140 euro invoerrechten en BTW moest betalen. Komt neer op dik drie euro per gram dons. Dat is niet grappig meer.

Hij is wel lekker warm en gelukkig kan ik er langer van genieten dan verwacht. De tijdslimiet in Houffalize is een half uur later dan ik dacht. Dat komt goed uit, kan ik tenminste wat eten en drinken en een beetje op temperatuur komen. Vorig jaar raakte ik hier onderkoeld. Dries moest even slapen en zijn voeten laten behandelen. Ik was er niet van uitgegaan dat ik een dropbag nodig zou hebben, dus geen droge kleren. Door de aanhoudende regen was ik behoorlijk doorweekt en daarom zat ik op dit checkpoint ruim anderhalf uur te blauwbekken.

Het kost me moeite om dit checkpoint te verlaten. Ja, ik ga echt wel op tijd weg, maar mijn donsjasje voelt zo comfortabel en de soep is zo lekker. Stiekem hoop ik dat mijn hoofdlampje niet meer nodig gaat zijn, maar een blik naar buiten vernietigt die hoop. Robert Gehlhaar verzorgt een uitstekende imitatie van Stef tijdens Another One Bites The Dust: ten more minutes, five more minutes, three more minutes. Schoorvoetend stap ik over de drempel van het checkpoint. Zo, ik ben veilig, op tijd weg.

Voor het volgende stuk, neem ik mijn tijd. Rustig aan, krachten sparen. De laatste 15 km, van checkpoint twee naar Maboge, zijn zwaar. Zelfs als je fris bent, is dit parcours te technisch om goed door te kunnen lopen. Dat ik slaperig ben, soms knikkebollend het pad afstruin, helpt meer dan dat het me in de weg zit. De zon komt op, maar geeft geen warmte af. Sterker nog, het is smerig koud. Als ik voorbij een ijzeren bank loop, kan ik een grimas niet onderdrukken: die fout maak ik niet weer.

Zondag 8:52 uur

Twee uur later kom ik aan bij checkpoint drie. Vorig jaar bemand door Michiel Panhuysen en Peter Swager, dit jaar is het de beurt van Martino Corneillie. Fijn om hem tegen te komen. Qua naam en verschijning kende ik hem al langer, maar pas tijdens de Duinhopper dit jaar heb ik flinke stukken samen gelopen met hem. Hij is een hele vriendelijke, zachtaardige man met een goed gevoel voor humor. Enige nadeel is dat hij voor Nederlanders slechter verstaanbaar wordt naarmate zijn vermoeidheid toeneemt. Nu ben ik waarschijnlijk nauwelijks te verstaan. Ik doe me tegoed aan bananen en cola, veel meer krijg ik niet weg. Opnieuw vertrek ik pas een paar minuten voordat de tijdslimiet verstrijkt.

Zo, nu moet het gaan gebeuren. Het is half tien, dus ik heb nog zes uur om op tijd in Maboge te zijn voor de laatste lus. Dat klinkt heel ruim, is het echter niet. Voor het stuk tussen checkpoint twee en Maboge wil ik vier uur overhouden. Dat betekent in twee uur van hier naar Herou, kilometer of twaalf. Gezien het pad dat voornamelijk langs de Ourthe slingert, is 6 km/u waarschijnlijk te optimistisch. Maar ik ga ervoor!

Zondag 11:46 uur

Ik red het net niet. Dat wil zeggen, ik doe er twee uur en een kwartier over. Nog steeds niet slecht, maar het kost me zoveel moeite dat ik uitgeblust aankom bij checkpoint twee. Dat Dries daar zit en zijn vrouw heerlijke wraps voor de lopers heeft gemaakt, helpt een beetje qua mentaal herstel. Fysiek ben ik leeg. Vorig jaar was Christine op deze post vrijwilliger en hadden Dries en ik de grootste lol met haar. Des te treuriger is het nu dat ze er niet bij kan zijn; we hadden graag de rollen omgedraaid.

Meteen vertrekken is geen optie. Zowel maag als benen hebben een momentje nodig. De temperatuur is ook flink opgelopen. Net voor Ollomont raakte ik kortstondig oververhit in het open veld onder de brandende zon. Ik had natuurlijk moeten wandelen daar, maar wilde niet meer tijd verliezen. Tja, keuzes. Maar goed, wat nu? Ik heb niet meer de energie om het volgende stuk net zo te pushen als de afgelopen twaalf kilometer. Dat betekent niet op tijd in Maboge, geen laatste lus, geen medaille, officieel een DNF. Twee keer falen in een weekend? Dat wordt me wat te gortig.

Net voor sluitingstijd verlaat ik het checkpoint. Ik ren naar beneden, op zoek naar de route die me bij de gevreesde afdaling brengt. Nou ja, gevreesd? Ik vond hem vorig jaar al geweldig en toen was-ie spekglad van de regen. Dit jaar is alles droog en stoffig, dus het zou een makkie moeten zijn. En inderdaad, binnen een minuut sta ik aan de oever van de Ourthe. Wat volgt, is een aaneenschakeling van met mos bedekte rotsen, boomwortels in de meest uiteenlopende vormen en een pad dat de naam nauwelijks waardig is. Maar oh, wat is het hier mooi. En wat baal ik dat ik niet de tijd heb om meer foto’s te maken.

Zondag 14:10 uur

Ik sta bovenaan een smerig steile klim uit te puffen als ik opeens een bekend gezicht over de rand zie gluren. Had me tijdens de klim al verbaasd over het blauwe T-shirt dat tien minuten geleden nog over het pad aan het zwalken was, maar net als een klipgeit achter me aan kwam. Echter, dat was een kerel, dit niet. Het is Elsa die met een brede grijns op me af komt stappen. Dacht al dat ik je herkende, zegt ze, jij hebt altijd hetzelfde hemd aan. Toch was ze er niet helemaal zeker van omdat mijn haar een stuk langer is dan normaal.

Het doet me goed haar hier tegen te komen. De laatste twee klimmen hebben me mentaal geknakt. Wat vlug rekenwerk leert me dat ik niet op tijd in Maboge ga zijn voor de laatste lus. Heb me er al bij neergelegd dat deze Great Escape officieel als DNF de boeken in gaat. Toch ga ik hem wel uitlopen, dan maar geen medaille. Elsa’s aanwezigheid fleurt me op. Zij heeft een half uur langer de tijd dan ik, toch loopt ze stevig door. Ik haak aan, in eerste instantie om niet weer alleen te zijn. Maar haar grijns en goede humeur werken aanstekelijk. Ik betrap mezelf erop dat ik ook nu en dan glimlach. En waarom ook niet? Het is prachtig weer, de omgeving wonderschoon en mijn benen doen het tot mijn grote verbazing prima.

Als ik op mijn horloge zie dat er voor Maboge nog maar twee klimmen zitten, laait mijn hoop weer op. Met een klein uur over op de tijdslimiet, moet dat te doen zijn. Elsa loopt bij Bérismenil 200 meter voor me, maar bij de afslag naar rechts heb ik haar weer ingehaald. Dan storten we ons naar beneden om vlak voor Maboge verrast te worden door het laatste klimmetje. Niet meer dan 50 meter omhoog, maar gemeen steil. Nog 16 minuten voor de zigzag naar het allerlaatste checkpoint, dat ga ik redden. Kan het bijna niet geloven. Een uur geleden in zak en as, nu in jubelstemming de laatste meters asfalt. Bij aankomst heb ik precies twaalf minuten over.

Zondag 15:17 uur

Ik eet een paar stukken appel en drink wat cola, heb immers zeeën van tijd over. Als ik Christine op een bank zie zitten, krijg ik een brok in mijn keel. Het lijkt zolang geleden dat ik haar in de steek heb gelaten. Is ze boos, teleurgesteld, voelt ze zich verraden? Niks van dat alles: ze omhelst me kort en spoort me aan om de laatste lus te beginnen. Een vrijwilliger wijst op zijn horloge: je hebt nog maar vijf minuten. Ik grijns terug: dat is drie minuten meer dan bij elk van de afgelopen vijf checkpoints. Hoofdschuddend haalt de beste man zijn schouders op.

De laatste lus is tegengesteld aan vorig jaar. Eerst de muur op, dan via minder steile paden terug naar het dorp. Stiekem wel fijner dan andersom. Halverwege de klim haalt Elsa me in, maar ze loopt niet bij me weg. Zogauw we kunnen rennen, doen we dat. We passeren de ene na de andere loper op de 50 mijl. Dan komen we achterop bij Sander Boom, een 100 mijler. Ik wil hem eigenlijk niet voorbij, heb me namelijk voorgenomen om vandaag als laatste loper op de 100 mijl te finishen. Maar Sander loopt op sandalen en dat is hier geen pretje. Zelfs naar beneden kan hij niet meer dan wandelen. Met ruim twee kilometer te gaan is dat voor Elsa en mij geen optie.

Ik heb een plannetje. Elsa en ik stormen naar beneden. Aangekomen in het dorp, sla ik vlak voor de finish rechtsaf, zo het terras van Les Moineaux op. Ik bestel een biertje en wacht net zolang totdat Sander voorbij komt lopen. Jaco komt me gezelschap houden en wijst me erop dat er nog een 100 mijlsloper achter me zit. Gloeiende… Maar die gaat het niet redden; heeft vijf kilometer voor de boeg en maar tien minuten op de tijdslimiet over. Ineens komen Elsa en Christine de hoek om rennen: Barry, je hebt nog maar 1 minuut over, schiet op! Gelukkig vergissen ze zich, ik heb zes minuten over.

Zondag 16:16 uur

Het wordt zo langzamerhand wel tijd om te finishen, dus ik dribbel rustig de laatste 50 meter naar de eindstreep. Tim hangt me mijn welverdiende medaille om als ik hem vraag of er nog een extraatje voor de laatste finisher inzit. Gewoon, puur plagerij. Hij wijst me erop dat ik niet de laatste finisher ben. Wat? Kennelijk wordt de allerlaatste tijdslimiet, die bij de finish, niet gehanteerd als men maar op tijd aan de laatste lus begint. Shit, weer misgegrepen naar de eerste plek vanaf de andere kant. Komt bij dat ik voor de tracker zo dichtbij de finish was dat ik zelfs voor Sander Boom geregistreerd sta. Ach, was het proberen waard, niet?

Nawoord

Dit jaar viel de Great Escape mij een stuk zwaarder dan vorig jaar. Ik had verwacht dat zon in plaats van constante regen het evenement een vriendelijker karakter zou geven. Daar zat ik goed naast. Het is geen pretje om constant nat te zijn, maar de temperatuursverschillen tussen dag en nacht dit jaar, kwamen veel harder aan. Vooral overdag, als de zon op je hoofd bonkte, kostte het enorm veel moeite om door te gaan. Getuige ook het hoge percentage uitvallers met meer meer dan 50%.

Onderweg kwam ik tot de conclusie dat ik de komende tijd maar eens een stapje terug moet doen. Ik ben nog steeds niet hersteld van het antibioticadrama en ik merk dat vooral tijdens tochten waar ik door de nacht heen loop. Het manifesteert zich op talloze manieren: van diarree en braken tot verstoorde temperatuurhuishouding en stofwisseling. Het maakt me niks uit dat ik langzamer herstel als ik door blijf lopen, maar ik dreig nu elk plezier in dit soort tochten te verliezen. Dat is het me niet waard. Maar goed, zoals met elke beslissing in het ultralopen, moet je deze nooit in het heetst van de strijd nemen. Ik wacht dan ook onze vakantie in Portugal af voordat ik mogelijk deelnames aan evenementen ga annuleren.

Behalve het weer was er een andere factor die de Great Escape dit jaar zwaarder maakte: de bevoorrading van de checkpoints. Dat niet op elke post alles in overvloed aanwezig is, kan ik inkomen. Maar als water, cola en soep op rantsoen gaan, klopt er iets niet. Als er alleen maar tosti’s met ham zijn, lijdt een aantal lopers honger. Als vrijwilligers zelf op pad moeten om bevoorrading te regelen, krijgt niet elke deelnemer dezelfde ondersteuning. Ik ben dit niet gewend van deze organisatie. Als zij ergens om bekend staat, naast serieus zware evenementen organiseren, is het de zorg en professionaliteit waarmee zij deelnemers behandelt. Mogelijk verkeek men zich op de combinatie van warm weer en een aanzienlijk groter deelnemersveld. Misschien was het iets anders, waar wij als lopers geen zicht op hebben. Gezien de ervaring tijdens vorige evenementen, ga ik ervan uit dat dit de uitzondering was.

Naast deze kritische noot, niets dan lof voor de organisatie, vrijwilligers en deelnemers. Ik heb intens genoten van plaaggeesten, bewakers van tijdslimieten, lopers die mij op sleeptouw namen en iedereen die mij onderweg gevolgd en ondersteund heeft. Als ultraloper moet je het uiteindelijk allemaal zelf doen, maar het incidentele menselijke contact en de ogenschijnlijk kleinste gebaren, betekenen het verschil tussen opgave en doorzetten.

Foto’s

previous arrow
next arrow
Full screenExit full screen
Slider

Comments